Tot de volledige inrichting van een woning behoort ook het voorzien in verwarming. Centrale verwarming is de modernste en meest voordelige oplossing. Als we in de woning dergelijke verwarming hebben, rest ons alleen nog het onderhoud van het leidingnet en de verwarmingslichamen. En nog iets - de bescherming van de muren boven de radiatoren tegen zwarte vlekken van verbrijzelde stof.

Om de verwarmingsbehoefte te berekenen, is het niet voldoende de calorische waarde van de brandstof te kennen, omdat die berekening ook afhangt van vele andere factoren, zoals bijvoorbeeld de windrichting, de isolerende werking van de muren enz. De berekening is ingewikkeld (en geeft niet het nauwkeurigste resultaat), daarom zijn in de tabel indicatieve gegevens van de benodigde warmte opgenomen. Men moet nog weten dat bij gebruik van vaste brandstoffen de warmteverliezen 20–50% bedragen, en bij gebruik van elektrische energie, vloeibare brandstoffen en gas 10 20%.
Op basis van de gegeven gegevens kunnen ook de benodigde warmtehoeveelheden voor het verwarmen van ruimten van verschillende oppervlakken en posities worden bepaald.
Verwarming op gas
Hoewel gasverwarming modern en goedkoop is, bestaan er toch talrijke gevaren bij het gebruik van gastoestellen en de installatie ervan. Uiteraard alleen wanneer men zich van die gevaren onvoldoende bewust is of er nalatig mee omgaat. Het is algemeen bekend dat het aantal ongevallen niet het hoogst is op de weg en in fabrieken, maar juist in huishoudens. Van deze ongevallen ontstaat het grootste deel door ondeskundig gebruik van gas en gastoestellen. De regel »doe-het-zelf« bij gas is niet alleen ongewenst, maar in de meeste gevallen ook strikt verboden! Deze verbodsbepaling betekent echter niet dat de vakman in huis zich helemaal niet met dit »taboe« mag bezighouden. Integendeel, het is zelfs wenselijk dat hij ook dit gebied kent, waarvoor een bepaalde deskundigheid vereist is. Zo kan hij de bestaande gevaren beter inschatten en bepalen hoever hij zelf de gasinstallatie mag repareren en onderhouden.
Hoewel de vernietigende werking van gas vele malen groter is dan die van elektrische stroom, is gas toch minder verraderlijk, omdat het gevaar ervan gemakkelijker en sneller wordt opgemerkt. Tegenwoordig zijn er drie soorten gas in gebruik: gas uit het stadsnet, stads- of lichtgas genoemd, gas dat uit de bodem wordt gewonnen en via leidingen naar de verbruikers wordt geleid, aardgas, en ten slotte propaan-butaan, dat in stalen flessen wordt vervoerd en kortweg РВ–gas wordt genoemd
De belangrijkste kenmerken van deze gassen staan in de volgende tabel:
Gas Relatieve specifieke soortelijke massa van de lucht Warmtewaarde
(0 - 1) kilocalorie/m3
Stadsgas 0,64 3600 - 4000
Aardgas 0,62 9000 - 9900
RV - gas 1,89 27000 - 29300
Het belangrijkste is dat de volgende aanwijzingen worden nageleefd: als we gas ruiken, is het STRENG VERBODEN de elektrische verlichting in te schakelen, vuur aan te steken, een ruimte binnen te gaan met schoenen met metalen hakken, een stekker in of uit te steken, de ventilator in te schakelen! Stalen flessen met PB-gas mogen niet worden gebruikt of opgeslagen in ruimten die zich onder het maaiveld bevinden of naast deuren en ramen, omdat het gas later, doordat het zwaarder is dan lucht, ook door ventilatie niet kan worden verwijderd. Als er een vermoeden bestaat dat er ergens gas is gelekt, moeten de schoenen worden uitgetrokken en moet men de ruimte betreden en voorzichtig en langzaam deuren en ramen openen.
De aansluitingen van de leidingen, de rubber slang en de aansluitingen van het PB-gas, evenals de werking van de ventielen, moeten systematisch worden gecontroleerd. Geen van deze onderdelen mag gas lekken. Controleren op lekkage met een vlam is LEVENSGEVAARLIJK en daarom VERBODEN! We kunnen de controle uitvoeren door de verdachte delen in te smeren met sterk zeepwater. Als er bellen ontstaan, is dat een zeker teken dat dat onderdeel gas lekt.
Het is bijzonder belangrijk dat ons gasfornuis voortdurend schoon blijft. Aangebrande vervuiling bederft niet alleen het esthetische uiterlijk van het fornuis, maar beïnvloedt ook de gasverbranding en kan zelfs de oorzaak zijn van het uitgaan van de vlam en scheuren in de toevoerleiding. Het belangrijkste onderdeel van het gasfornuis is de brander of »buis«. De buis is in feite een Bunsenbrander, die werkt door gas door een kleine sproeier te laten stromen, hoewel de gasdruk slechts iets hoger is dan de omgevende luchtdruk. Door de kleine doorsnede van de sproeier stroomt het gas met hoge snelheid de menger binnen, die aan de zijkant meerdere gaatjes heeft. Door de hoge snelheid van de gasstroom wordt de omringende lucht aangezogen, de zogenoemde primaire lucht. (afb. 1, linkerzijde).

AFBEELDING 1
Door de openingen in de kop van de brander stroomt dus al een gas-luchtmengsel, en hier wordt opnieuw (nu reeds secundaire) lucht uit de omgeving aangezogen. Door deze dubbele menging ontstaat de roetvrije Bunsenvlam. De vlam brandt blauwachtig en geeft vrijwel geen licht, terwijl de kern duidelijk groen van kleur is. Als er veel lucht in het mengsel zit, dan verloopt de verbranding onrustig, ontstaat er roet, en is de kleur van de vlam geelachtig. Als er veel gas in het mengsel zit en de uitstroomsnelheid groot is, dan zal het gas sneller in de vrije ruimte uitstomen dan het kan verbranden en zal het zich van de branderkop losmaken, waardoor de vlam dooft. Dit is een zeer gevaarlijke situatie, want ondanks het doven van de vlam blijft het gas uitstromen. Maar niet minder gevaarlijk is de situatie wanneer door een te geringe uitstroomsnelheid een terugslag van de vlam in de menger ontstaat en daar met knetteren en kleine explosies verbrandt (afb. 1, rechterzijde). De oorzaak van een te grote gasuitstroomsnelheid kan een verbreding van de spuitmond of een verhoogde druk zijn, en van een te geringe snelheid een verstopping van de spuitmond of een verlaagde druk. De drukregeling gebeurt met behulp van een reduceerventiel en deze taak moet aan een specialist worden toevertrouwd. Het vervangen van een verbrede spuitmond kan eveneens alleen een specialist uitvoeren. Een verstopte spuitmond kan en mag worden gereinigd door deze met een zachte (koperen) draad door te prikken. Daarbij moet erop worden gelet dat de opening van de spuitmond, waarvan de diameter slechts enkele honderdsten van een millimeter bedraagt, niet wordt vergroot. In de brander bevinden zich twee spuitmonden. De bovenste spuitmond dient voor normale werking en de onderste voor de verkleinde vlam. De gastoevoer van de leiding naar de spuitmond gebeurt via een conische klep (afb. 2, bovenste deel).
Aan het onderste deel van de branderhals bevindt zich een schroef voor het regelen van de vlam. Daarmee kunnen we in zekere mate de afstand tussen de brander en de onderzijde van het kookgerei instellen, maar men moet erop letten dat door het verplaatsen van de branderhals ook de onderlinge stand tussen het ventielhuis en de branderhals verandert, wat het injectie-zuigeffect van de menger aanzienlijk beïnvloedt. Door het brandrooster op te tillen, kan de branderhals gemakkelijk omhoog worden bewogen en worden verwijderd. Verstopte delen van de branderhals, het rooster en het deksel kunnen met een harde borstel worden gereinigd van roet en aangekoekte voedselresten. Na het reinigen moeten de onderdelen goed met afwasmiddel worden gewassen en pas na volledige droging weer op hun plaats worden gezet (afb. 2, midden).
In de winter kan de verwarming van de keuken worden verzorgd door de vlam van het fornuis. Dat lijkt slechts ogenschijnlijk gunstig en economisch. Bij de verbranding van één kubieke meter gas ontstaat namelijk 600 gram water in de ruimte in de vorm van waterdamp. Dit water slaat neer op het meubilair, drupt erlangs en vervuilt het, en is bovendien schadelijk voor de gezondheid. Daarnaast wordt de lucht in de ruimte snel verbruikt, en daarmee ook de zuurstof. Een tekort aan zuurstof kan in geringe mate hoofdpijn en lichte vergiftiging veroorzaken. Maar vaak gebeurt het ook dat het verminderde zuurstofgehalte niet voldoende is voor de verbranding, waardoor de vlam dooft terwijl de gasstroom doorgaat.

AFBEELDING 2
In dergelijke gevallen lopen de personen in de ruimte gevaar op vergiftiging. Als er niemand in de ruimte is, kan bij het binnengaan en inschakelen van de elektrische verlichting het hele gebouw ontploffen. Daarom moet bij het verlaten van de woning bijzondere aandacht worden besteed aan het onvoorwaardelijk sluiten van de gastoevoer. We moeten vermelden dat voor grotere gastoestellen zogenaamde zuivere-gasbranders worden gebruikt. In tegenstelling tot Bunsenbranders hebben zij geen primaire menging met lucht en daarom is de kleur van de vlam daarin gelig.
Convectieverwarming
Gas wordt vaak gebruikt voor verwarming. Helaas zijn infraroodverwarmingselementen zeer problematisch en daarom raden wij die minder aan, maar convectieverwarming bevelen wij wel aan. (Convectie – stroming van warme lucht). Het voordeel van deze gaskachel is dat de voor de verbranding benodigde lucht en de verbrandingsproducten van buiten worden aangezogen, terwijl de verbrandingsgassen naar buiten de ruimte worden afgevoerd. Daarom is voor de kachel geen schoorsteen nodig, maar wel één vrije wand van de ruimte die in contact staat met de buitenlucht, omdat de convector alleen op zo’n wand kan worden geplaatst.
De warmte die in de gasconvector wordt opgewekt, wordt aan de omgevingslucht overgedragen via het principe van de mantel van de kachel, en de lucht voert door de invloed van de warmte een circulerende beweging uit. Het is het meest geschikt om de convector onder een raam te plaatsen, omdat daar koude lucht de ruimte binnenkomt en daardoor het verwarmingseffect het grootst is. De directe warmtestraling van de convector is relatief gering.
De verbrandingsruimte van de gasconvector is volledig afgesloten, (wat betekent dat zij onafhankelijk is van de lucht in de ruimte), de benodigde lucht voor verbranding wordt van buiten aangevoerd, en ook de verbrandingsproducten verlaten via een dubbele buis de vrije ruimte. Terugstroming is onmogelijk, omdat rookgassen uitstromen en lucht onder dezelfde druk instroomt, m.a.w. het proces vindt plaats in een ruimte met gelijke druk. Op deze manier is van meet af aan een goede trek met de warmte van de verbrandingsproducten gewaarborgd (afb. 2, rechtsonder).
De klep van de gasconvector kan worden geregeld en het toestel is uitgerust met een zogenoemde gasgebreksbeveiliging, een vlinderbrander en een vlambeveiliging voor ontsteking. Het bovendeel van de mantel van de gasconvector heeft gewoonlijk een opening. Het rendement van de convector is zeer gunstig en bedraagt ongeveer 80 - 85% en daarom kan hij ook worden gebruikt voor het verwarmen van grotere ruimten (30-40 m2). In één ruimte kunnen desgewenst ook meerdere convectoren worden geplaatst. In blok- of paneelelementen van gebouwen in nieuwe woonwijken worden al bij de fabricage van deze elementen openingen voor de convector aangebracht. Ook dit wijst erop dat verwarming met een convector een moderne verwarming is.
Voorwaarde voor de plaatsing van de convector is een passende bouwvergunning, en de montage mag alleen worden uitgevoerd door een daarvoor geschoold bedrijf of vakman.
We moeten ook zeggen dat verwarming op gas het zuurstofgehalte van de ruimte buitensporig verbruikt. Als voor een goede ventilatie niet is gezorgd, zal door het tekort aan zuurstof de vlam doven, en zal het giftige gas toch in de ruimte blijven uitstromen. (Op nieuwere apparaten worden al regelventielen ingebouwd die, als de vlam dooft, de gastoevoer afsluiten).
Het is zeker dat verwarming met elektrische energie het grootste comfort biedt, maar ook de duurste is. Elektrische verwarmingstoestellen van 220 V en 0,5 tot 10 kW mogen alleen strikt volgens de voorschriften worden gebruikt. De plaatsing (montage) en het onderhoud van deze toestellen is uitsluitend werk voor specialisten. Naast het feit dat moderne verwarmingsmethoden steeds vaker en steeds meer worden toegepast, wordt in huishoudens nog altijd het meest de conventionele verwarmingswijze met kachels gebruikt. Daartoe behoren ook stookoliekachels, omdat zij zich slechts daarin van kolenkachels onderscheiden dat zij minder vaak en op een andere manier worden gestookt.
Voor een economische verwarming moet men de calorische waarde van de afzonderlijke brandstoffen kennen, de benodigde hoeveelheid lucht voor verbranding, evenals de nodige ruimte voor opslag van de brandstof. Over deze grootheden geeft onze volgende tabel informatie. Bij de analyse van deze gegevens kan men ook concluderen dat »duur brandstof goedkoper is«.
